Het grafische werk van Melle – Theun de Vries - Verdieping - Melle

Verdieping

Terug naar overzicht
1938 Het grafische werk van Melle – Theun de Vries

Men behoeft zelfs niet half ziende te zijn, om in het tijdsgewricht, dat wij beleven, 'de ondergang van het avondland' zich te zien voltrekken.*

Deze ondergang mag door sommigen begrepen worden als een volkomen instorting van alle normen en waarden, het wegvagen van een beschaving; anderen zullen er onder verstaan de likwidatie van een tijdperk en het daaraan verbonden stelsel, dat weliswaar ten onder gaat ten koste van verschrikkelijke offers, maar dat door andere krachten zal worden afgelost en verjongd - voor beide inzichten blijft het verschijnsel van het 'zieke' avondland bestaan. Het is de ziekte van de inwendige brute contrastering, de ziekte der geestelijke onvruchtbaarheid, de waanzin, die het menselijk denken en scheppen als een nachtfantoom achtervolgt: deze wereld is de speel-plaats geworden voor een losgeslagen horde van krankzinnigen.
Deze stemming, die over de tijd hangt, die de hersens van de stervelingen obsedeert, vindt haar artistieke uitdrukking in het werk van den 27 Mei 1908 geboren jongen grafischen kunstenaar Oldeboerrigter, die zijn werk met 'Melle' signeert - feitelijk een voornaam - en als 'Melle' bekendheid begon te verwerven onder een aantal jeugdige kunstenaars van Amsterdam. Het zieke avondland: dat is de kortste en doeltreffendste samenvatting, de aanduiding van het grondkarakter van Melles belangwekkende tekeningen. Deze kunstenaar, die in het isolement van zijn werkvertrek leeft en schept - een haast zinnebeeldig isolement - draagt in zijn uiterst sensitief en over-prikkelbaar bewustzijn het besef van de ontaarding van mens en samenleving. Dit besef grenst aan het maniakale; het houdt hem vast aan één lange, wurgende droom van angst en degeneratie, en het verzet tegen deze omarming van de wanhoop bezwijkt doorloopend onder de aanvallen van de nachtschimmen, waardoor Melle zich omringd ziet, en die in zijn werk gestalte en leven aannemen.

Hoewel Melle reeds vrij vroeg tekende en schilderde, is hij in de jaren 1933-'34 tot het merkwaardige werk gekomen, dat thans de uitdrukking vormt van de typische maatschappelijke gerichtheid, waarop wij hier nader de aandacht willen laten vallen. Melle is, voortgekomen uit een proletarisch milieu, een van degenen, in wie het 'verzet' organisch leeft, die de haat tegen deze samenleving als een zedewet mee hebben gekregen in hun bloed. In tal van schetsboeken en krijttekeningen uit zich dit sociaal bewustzijn: eerst vrijwel uitsluitend in de vorm van de opstandige krabbel, van de min of meer primitieve politieke prent. Hij richt al zijn aandacht op de types van de achterbuurt; en met zijn gevaarlijke zintuig voor het gedegenereerde, het fatale, tekent hij bij voorkeur de grensgevallen. Nooit zijn het de strijdbare proletariërs van fabrieken en havens, de werkenden, wier klassegevoel als een magnetische kracht hun ziener laadt; Melle tekent de uitgestotenen, de lijdenden, de teringachtigen; hij voelt zich instinctmatig getrokken tot de hologigen en holwangigen. De mismaakte zwangerschap der paupervrouwen, het levend sterven van kinderen en prostituées, de hopeloosheid van de slenterende mannen, op wier voorhoofd onuitwisbaar het teeken van de werkloosheid geschreven staat... dat alles vinden we in die eerst tekeningen terug.
Deze typische bewustwording van het ten dode gedoemde, dit 'tering'-element in het maatschappelijk bestel, spitst zich daarna snel bij Melle toe. Het verfijnt zich tot het bijna ondraaglijke; en tegelijk neemt het schijnbaar onsocialer vormen aan. Melle beeldt inderdaad meer en meer de ondermijnde cultuur af met haar dodelijke gifbloemen, waarvan hij met overgevoelige zintuigen de zieke geuren inademt, en welks voorstellingen zich benauwend aan zijn verbeelding opdringen. In deze verfijning en veralgemening vallen twee dingen op: het element van de onmiddellijke aandacht maakt plaats voor een omvattender, in velerlei vormen gedifferententieerde openbaring van het menselijk lijden - waar in vroege tekeningen nog verre verwantschappen met Steinlen en Kollwitz vielen te bespeuren -; en terzelfdertijd stijgt de grafische techniek van Melle tot ongelooflijke hoogte. In de krijttekeningen, die in de loop der laatste jaren door Melle in zijn reeds-befaamd schetsboek zijn verzameld, bereikt hij een in feite niet verder door te voeren balanceren tussen grafiek en literatuur, tussen voorstellingsvermogen en de uitdrukking daarvan in de stof. Met de grootst mogelijke uitbuiting van materiaal werkt Melle aan de vormgeving van deze voorstellingen; als hij tien, twintig maal de obsederende snelheid, waarmee bepaalde beelden uit het duister van zijn onderbewustzijn verrijzen, in schetsen heeft trachten vast te leggen - zólang, tot de obsessie verdwenen is en nog 'slechts' het herscheppen van de visie rest - begint de strijd om dat evenwicht, dat opvoeren van een beeld 'op de spits van de naald', dat zo kenmerkend is voor Melles grote tekeningen. Men voelt, tegenover de behaalde resultaten, dat ieder meer-of-minder hier een ruwe inbreuk zou maken op de geraffineerde wijze van voorstelling en op de idee zelf, die in elke tekening wordt vastgelegd. Het fantomisch en vormvolmaaktheid vergende karakter van deze tekeningen laat geen enkele afwijking van het met eindeloos geduld nagestreefd evenwicht toe.
Terwijl Melle meer en meer de middelen van een beheerst surrealisme leert hanteren, zal een kenner van Freud niet veel moeite hebben met het herkennen van de ziels-stemmingen, die in deze knappe en overgevoelige voorstellingen aan het licht treden. De onvruchtbaarheid van rotswoestijnen; wanhopige boomskeletten, die uit het troebel water van een moeras opstijgen en in wier geknotte takken zich een aap slingert; tuinen en parken onder sombere wolkenhemels, waaronder zich verlaten weeskinderen met een non naar binnen haasten, of een verlaten mensenfiguur wegvlucht; de haveloosheid van zwarte verpeste sloppen en kolken; de nachtmerrie van loopgraaf en niemandsland; het aan splinters geschoten Maria-beeld in de straten van Madrid; de monsterachtige lianen van gewassen, die in een wereld van desolate puinen de laatste sporen zijn van voormalige bloei; de in bloemen en blauwe vergetelheid neerzittende waanzinnige, afgezonderd van het leven; de spookachtige ochtend van een kleermaker, die de hele nacht door heeft gewerkt en voor wie de linnen model-romp plotseling in een hoofdeloze, bloeiende vrouwentors verandert; de schrikbarende nutteloosheid van het leven van den ouden gekromden zetter, die in zijn letterkast tevergeefs naar een verloren typografisch tekentje zit te wroeten - zij vormen met tientallen andere, bezeten voorstellingen de angstdroom van de ondergang ener wereld, die Melle in zich beleeft.
Deze voorstellingen zijn stuk voor stuk af - een afgerondheid, die door de min of meer gevaarlijke eigenschap van alle vormvolmaaktheid wordt bedreigd, en die Melle totnogtoe heeft weten te vermijden: dat zij doods wordt. Melle bezit het talent, om de gevaren van het volkomen-geziene en volkomen-getekende steeds opnieuw te overwinnen; hij lijkt daarin op een Rilke, op een Vestdijk of op een Den Brabander, wier talent en geesteshouding in vele opzichten raakpunten hebben met het zijne. De vormschoonheid wordt tot een uiterste opgevoerd, terwijl toch het sentiment steeds tot in de laatste toppen dezer volmaaktheid blijft doortintelen. De vergelijking met bepaalde genres van literatuur, die wij hier waagden, een literatuur, welke de bewustheid der ontaarding in zich draagt, en toch nergens tot het zielloos instrument wordt, waarover de gevoelens van de ondergang vrij spel hebben - dringt zich doorlopend op, waar de grafische kunst van Melle zulk een merkwaardige, tussen beeld en mededeling zwevende, indruk op haar beschouwer uitoefent.

 

Ligt in dit uit maatschappelijk en persoonlijk onderbewuste instincten opgeschoten werk, in deze perfectie van uitvoering, die toch steeds méér dan visuele indrukken wekt, een beslissende overtuigingsmacht van Melles tekenmanier, men vraagt zich evenzeer bij het doorkijken van deze bladen af, langs welke lijnen zich een dergelijke snelle, verfijnde ontwikkeling zal moeten voortzetten. Voor een ieder, die kennis neemt van Melles tekeningen, is het duidelijk, dat deze jonge kunstenaar hier een stadium heeft bereikt, dat zich niet tot in 't oneindige laat voortzetten, trots de ongetwijfeld veelzijdige en veelvormige stemmingen, die de aanblik der verwilderde wereld bij een zo gevoelig reagerend tekenaar kan opwekken. Een andere schaduwzijde, die men ook steeds weer voelt, is de vraag, hoe hier de afstand tegenover het ontaardingsproces bewaard zal blijven en geen symbolisme, laat staan valse mystiek, bij Melle geboren wordt.
Uit verschillende tekenen laat zich ongetwijfeld vaststellen, dat Melle zijn intuïtief voorstellingsvermogen haast altijd krachtig in de hand houdt niet alleen, maar hij er op den duur andere elementen aan zal weten toe te voegen, waarbij we vooral de nadruk willen vestigen op die, welke een versterking betekenen van het werkelijkheidsmoment in zijn kunst.
Wanneer we b.v. een der jongste bladen zien, die Melle maakte - de 'laatste haven' van een gepensioneerd zeeman, de eenkamerwoning, het bed, waarin zijn vrouw ligt te sterven, en de mahoniekast, glimmend overgebleven symbool van het eenmaal moedig opgezette huishouden - dan wekt deze gehele sfeer van reddeloosheid en bitter realisme een krachtig vertrouwen op de toekomstige wendingen, die deze tekenaar ongetwijfeld naar nieuwe mogelijkheden zullen leiden. Een dergelijke doorgevoerde wending zou niet alleen de persoonlijkheid, maar ook het talent van Melle ten goede kunnen komen.
Het ontdekken van die weg, de vermeestering van deze oplossing, die intussen slechts organisch uit de aanwezige krachten van Melles leven en werk zal kunnen volgen, blijve den kunstenaar zelf voorbehouden. Het is - in dit land en onder de heersende opvattingen althans - gewoonte, dat de taak van den criticus eindigt, waar die van den moralist begint.

Eerder verschenen in de Kroniek van hedendaagsche Kunst en Kultuur, 3 (1938) 10-11, pp. 263-267.

*Verwijzing naar het tweedelige boek Untergang des Abendlandes. Umrisse einer Morphologie der Weltgeschichte (1918-1922) van de omstreden Duitse cultuurfilosoof Oswald Spengler. Over de invloed in Nederland, speciaal op kunstgebied: C. Blotkamp, Y. Koopmans (red.), Magie en Zakelijkheid. Realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945, tent.cat. Arnhem (Museum voor Moderne Kunst) 1999-2000, passim.