Verdieping
In zijn inlichtend boek over het post-expressionisme en magisch realisme schreef Franz Roh,1 dat de richting, die het letterlijkst aansluiting bij de bestaande dingenwereld zocht en daarom het heftigst bestreden werd: het z.g. verisme, voorloopig in het bijzonder een gewas - sommigen zullen zeggen een uitwas - is van Duitschland, dat zoo vaak met de gegeven mogelijkheden tot het einde, het gewaagde uiterste ging.
Met Melle Johannes Oldeboerrigter heeft echter ook Nederland een vertegenwoordiger dezer kunst en wel van het nieuwste en kraste verisme. Als er nl. een verisme van de dag- en van de nachtzijde van het leven is, dan is het helder als de dag, dat Oldeboerrigters werk tot het laatste behoort.
Evenals George Grosz en Otto Dix, - de belangrijkste dragers dezer kunst in Duitschland -, wil deze miniatuurschilderkunst de wereld wreed het vreeselijke voorhouden; de gebrekkige sociologische vormen van het huidige leven onder het microscoop nemen en deze de burger, die hier gemoedelijk pleegt te ontwijken, heel dicht onder het oog brengen. (De helsche Brueghel placht door het rammelen met ketenen in zijn kelder z'n leerlingen het donkere van leven en dood te suggereeren en hen te laten schrikken, wat tegenwoordig de leerlingen eer de meester doen.)
De veristen van de nachtzijde van het leven vallen, volgens de hier vrij gevolgde karakteriseeringen van Roh, eigenlijk meer uiteen in tweeën: in ultra's en in gematigden. Volgens de ultra's, - de meer demonische typen -, moet de kunst niet de zeden verzachten, maar hard en onvermurwbaar doen worden; wijzen op het bederf en het verfoeilijke van alle bestaan in dit jammerdal, om daarmee, - overdrijvend, maar het kwaad bij de wortel aantastend -, door zelfvoldanen, eeuwig optimistisch en zeker van zijn zaak, bang te maken. Zij willen aantoonen, dat het hele bestaan der onderwereld van gulzigheid en wellust in de grond de uitdrukking is van de wreedheid en verdorvenheid van alle leven in 't algemeen.
Deze kunstenaars kruipen in die hoeken van het menschelijk leven, die het critieke, het geschondene, de drab van het menschelijk bestaan, kunnen symboliseeren; in die sfeer van dood en vergaan, welke door den staat, de politiek of de economie, nooit te niet gedaan kan worden. Zij zouden daarmee pas ophouden, als het wijzen op deze afschuwelijkheden, uit religieuze of ethische beginselen, zelf als afschuwelijk zou gelden. (Bij de Grieken, die ook de caricatuur wel eens verboden hebben, werden dergelijke kunstenaars, welwillend als vuilschilders aangeduid.)
De niet minder strijdbare kunst der meer gematigden zaait weliswaar ook haat, - die volgens hen niet steeds onproductief behoeft te maken jegens de verkeerde toestanden in de wereld -, maar met het einddoel de weerzinwekkende levens-verenging in heldhaftige strijd zooveel mogelijk op te heffen. Zeker willen ook deze veristen de burger de verschrikkingen van sociale systemen en van het huidige leven onder het oog brengen; zeker willen zij de proletariër het contrast van zijn bestaan met het kapitalistenleven schilderen, maar opdat aan het luie verhelen der zware wonden van het heele huidige leven een einde kome. Deze groep legt niet alleen de vinger op de wonde plekken, maar opent zelfs de wonden, die zich voorbarig willen sluiten (om het euvel slechts te verlengen).
Oldeboerrigter behoort dunkt mij meer tot de laatsten dan tot de eersten. Met de nieuwste plastische kunstmiddelen van het verisme klemt hij ons vast in de misère. Maar deze metalen, koude bewegingloosheid en onverbiddelijke uitvoering etc., waarmee het fel belichte onderwerp tot in de nerf onder het microscoop genomen wordt, heeft de beteekenis van de ijzeren objectiviteit en de schijnbare afwezigheid van deelneming van een arts, die immers zonder eenige 'wereldsmart' de toestand der wereld tracht te verbeteren. Zoo is Oldeboerrigter niet alleen een kunstenaar die alles schilderen en teekenen kan, maar ook een, die volgens een hoogere roeping licht in 's menschen innerlijk brengt en ons met het leven verzoent.
Grosz heeft eens gezegd: 'De mensch is niet goed - maar een beest!' In tegenspraak met dit woord schijnt de groote hoop die hij dan vestigt op de proletariër, die toch ook een mensch is. Maar inderdaad wordt het proletariaat bij Grosz en Dix meestal even bot en beestachtig voorgesteld als de heerschende klasse. Oldeboerrigter zou eerder kunnen zeggen: 'De mensch is nóg niet goed' of 'De mensch zij goed!'.
Melle Oldeboerrigter is van Friesche afkomst, maar hij werd - in 1908 - geboren te Amsterdam. Hij is van beroep zetter (opmaker) bij een groot dagblad aldaar en schilderde en teekende in zijn vrijen tijd, vooral 's nachts. Een zijner teekeningen is de voorstelling van een zetterij, waarop hij zelf voorkomt als jongmaatje. Hij leerde zijn vak op de Grafische school te Amsterdam. Als schilder is hij auto-didact. Hij teekende altijd, hij toonde mij een aquarel, een marine, die hij op z'n negende jaar gemaakt had. Hij deed eens een reis van drie weken naar Parijs. Hoewel zijn oeuvre reeds een zestigtal schilderijen en vele teekeningen groot is, is hij nog vrijwel onbekend bij critiek en publiek. Alleen de schrijver Theun de Vries publiceerde eens een kort opstel over hem en zijn werk in de Kroniek van Kunst en Kultuur. Hij nam nooit deel aan exposities van vereenigingen of groepen, noch hield hij ooit een particuliere tentoonstelling van zijn werk.
Met zijn werk maakte ik voor 't eerst kennis ten huize van de kunsthandelaar A. Vecht, die mij met z'n gewone enthousiasme een aantal schilderijtjes en een groot schetsboek met teekeningen liet zien. Een groot aantal vroegere losse bladen toonde de snelle ontwikkeling van dit onmiskenbare, wonderbaarlijke, aan genie grenzende talent, dat mij daarom direct op bepaalde wijze aantrok. In welk een tijd leven wij, dat zoo'n kunstenaar er iets bij moet doen! Later was ik in de gelegenheid meer van z'n schilderijtjes te zien op z'n atelier, een gewone kamer, een soort wonderlijk naturaliën-kabinet met een menschenkinnebakken, opgezette vogels, veeren, een vischskelet, schelpen, een roos in een flesch, 'schilderijtjes' in haar en andere curiositeiten: hij is zoowel een dienend ridder van Dame Natuur als van Dame Schilderkunst.
Met een beschrijving van zijn schilderijen en teekeningen zou men een boekdeel kunnen vullen, want het onderwerp is voor hem meer dan slechts een aanleiding tot het schilderen of teekenen, ook in de inhoud zijner voorstellingen is reeds creatie. Het cubisme verbood streng alles wat geen guitaar of pakje tabak was. Oldeboerrigter is de anecdote weer gunstiger gezind, uitgaande van de overtuiging dat men niet anecdotisch is door de keuze van het onderwerp, maar door de manier het uit te drukken en deze blijft bij hem in de grond steeds picturaal of plastisch. Zijn schilderijen spreken zich zelf uit en zijn op zichzelf beschouwd goede schilderijen, die alleen kunnen leven en geen verklaring noodig hebben. Men zou echter dwaas zijn hem niet uit te noodigen ook voorstellingen in beeld voor geschreven werken, illustraties voor de grotesque en serieuze verhalen van E.A. Poe bijv. te maken.
Bespreken wij in 't kort enkele zijner schilderijen, om te beginnen met de vrouwelijke heele figuren in landschappen. Een op de rug geziene vrouw in 't paars (een zijner geliefde kleuren), met een aap op de schouder wandelt in een winterlandschap met rotsen en boomen met phallische vormen. Dergelijke rugfiguren keeren vaak terug op zijn schilderijen en teekeningen, evenals op de stemmingslandschappen van de romanticus Caspar David Friedrich. Zij staan hier als beschouwers, als vertegenwoordigers van allen, die het schilderij in de toekomst zullen zien en zich gaarne in de beschouwing van het landschap zullen verdiepen. Even symmetrisch gecomponeerd is een meisje in 't rood, dat midden in een heuvellandschap zit, geflankeerd door schrale boompjes met groote, zeldzame vogels en door planten in potten. Een aapje ligt aan een ketting. Hoog in het cader, als een luchtspiegeling, een kalfskop op een schelp.
Van de vrouwelijke halve figuren in interieurs is een der beste dat eener oude vrouw met groot hoofd en klein lichaam, open, tandelooze mond, knokige hand, in een leunstoel met een rood kussen bij een tafel met een duifje voor het venster met een gebroken ruit, een gelig rol- en een paars overgordijn. Aan de wand hangt o.a. een jeugdportretje der vrouw. In den hoogen verschijnt als een geest de profielkop van een man. De karakteristieke tronie der oude vrouw is zóo sterk van expressie, dat men aan Brueghel herinnerd wordt. Op een ander interieur met een stil terneergezeten jongere vrouw achter een ronde tafel valt in 't oog een gefragmenteerde spiegel, bekroond door een phallisch ornament; een gedroomde architectuur van hooge, rotsachtige bouwsels met phallische vormen, in verfijnde, teere kleuren en, op den voorgrond een soort moeras met een slang, een slak en een paddenstoel. Op weer een ander verschijnt op den wand, versierd met schilderijen, o.a. met phallische voorstellingen, een aap, terwijl een phallus aan een draad hangt.
Een andere rubriek is die der met architectuur en beelden versierde landschappen, zooals een 'rondje', 'Burcht Leeuwenstein', met een naaimachine, een grafzerk met medaillon en een zuil met het reliëf van een omkranste luis, of een ovaal, met een moeder en haar kind, armoedig van lichaam, als een groep levende beelden boven op een vrijheidsmonument met een reliëf van een Jacobijnenmuts en een lauwertak en aan den voet een paar apen, terwijl men in de lucht een vogelschedel ziet en, ten slotte, een rechthoek met een standbeeld, een paar witte wezels en in de nokken twee bazuinen. Een paar eenzame en verlaten landschappen is aan verschillende kanten afgesloten door een rood gordijn, waarop een rups kruipt, door een rood vloerkleed met insecten en een kan of door dorre takken en gestoffeerd met een vlinder en kevers of met een de horizon oversnijdenden, monumentalen phallus, een uit den grond stekende knekel, een rups en een schelp.
De 'hoofdpersonen' van een paar landschappen, waarvan een nog kleiner dan een hand, zijn groote schelpen, alleen of met 'stonehenge'-achtige rotsen en een zwevend wezeltje. Naast figuren in interieur schilderde hij ook interieurs zonder figuren, waarin slechts een katje beweegt, 'bewoond' door een mombakkes op een standaard, doode of opgezette vogels, een vischkop en -staart, versierd met een portret van Spinoza, een marine en plassen op den vloer, gemeubileerd met een pollepel, een speld of rose en groene vaatwerken met phallische versierselen. Het uitzicht op ruïnes is niet riant. Liefelijker is een venster uitziend op de natuur. Op de vensterbank zingt een vogel en bloeit een boeket in een blauwe vaas.
Het jongst gedateerd zijn de voorstellingen van een fazant op z'n verblijfplaats, temidden van vele en velerlei dieren en planten, een kleine wereld groot geschilderd als door een moderne Otto Marseus van Schrieck, de 'snuffelaer', en van St. Antonius, de wonderlijke heilige, predikend tot de visschen, een nu reeds klassiek schilderij voor een museum, dat aan een Hieronymus Bosch doet denken. (Voordien had hij reeds eens een St. Franciscus met een haas geschilderd).
Een teekenboek, met bladen in zwart en wit of met kleuren gehoogd, werd begonnen in October 1936, maar is in het begin nog een terugblik op den Eersten Wereldoorlog. In de eerste teekeningen vindt men de kwaliteiten van geest en handwerk nog niet op het hooge niveau van de latere. Maar de teekenaar, die zich na een lange voorbereiding in stilte heftig uitstort, maakt snel groote vorderingen. De voor hem zoo typische rugfiguren komen reeds aanstonds voor, zooals die van een man en vrouw met tambourijn in een maanlandschap. Een modiste in haar interieur met een paar torso's van ledepoppen, een rose of lila kind in een trappenhuis of aan een kade, etc., zijn de gegevens, waarin de jonge teekenaar zich soms nog ietwat sentimenteel uitte.
Aan den grooten oorlog herinneren de prikkeldraadversperringen en een leeg conservenblikje in een duinlandschap bij regen met de rugfiguur van een man in mantel, en, op een ander blad, het oorlogsmonument met het beeld van een liefdegodje en een bloemenvaas, en, aan den voet, een 'cul de jatte'. Wij zijn hier ver van alle veldslagenschilders en dichter bij de Goya van de 'Desastros de la guerra'. Dat het oorlogsgebeuren een verschrikking is, overal tranen, ruïnes en wanhoop achterlatend, suggereert ook een aan de burgeroorlog in Spanje gewijd blad met een brok muur en de resten van een Mariabeeld, en, aan de voet, een uitgehongerd kind en de naakte beenen van een lijk.
Andere tijdsbeelden geven de teekeningen, getiteld 'Een nieuwe lente op Hollands erf': de rugfiguur van een arme vrouw met kind voor een monumentale deur, bekroond door een amor, waarvoor een oranje wimpel uithangt; 'Wittebroodsweken': een zwangere vrouw voor een met vlaggen versierd venster, waarachter men het profiel van een oud heer ziet; en het blad met drie aan ontberingen gewende kinderen in een ijzeren ledikant, droomend van een varken aan de lier, dat het hart vetter maakt. Een andere trits teekeningen verhaalt van vrijen en trouwen: een amoureus paar in een park; een onder z'n beste tuig liggend bruidspaar op een voetstuk midden in een stadsbeeld geplaatst; de trieste vreugde van een zilveren bruiloft: het bruidspaar in alle vriendelijkheid naast elkaar gezeten op een podium met een foetus, in een lijst bekroond door een sierstuk met een bazuinengel.
Beelden uit het familieleven zou men weer een andere reeks kunnen noemen: een echtpaar zit bij de uitgedoofde kachel, een paar kinderen ligt te bed in een overstroomd interieur, waar paddestoelen uit de vensterbank rijzen; de rugfiguren van een echtpaar en een kind staan met hun koffers stil aan den oever van een meer met in het trieste gras een stuk bretel, een gebarsten lampetkan en een afgedankte pan; een man dwaalt met zijn twee kinderen in een overstroomd bosch van dorre boomen, met een aap aan een tak hangend. Een verwant thema varieert de teekening met een van de regen druipend man in een rotslandschap met kale boomen met ontbloot liggende wortels. Een tooneel uit het leven der bohème is een atelierinterieur met een man in bed en een vrouwentorso op de grond.
Ook bij de teekeningen komen nog vele composities voor met één of meer figuren in interieurs, landschappen of stadsgezichten, zooals de tragedie van een in vlammen gehuld, in doodsangst verkeerend man, bij een omgevallen stoel; de idylle van een door fantastische ranken omslingerd meisje als in een prieel in haar slaapkamer; een oude zeeman bij een kast met een steenen hond en een scheepsmodel; een kleermaker hurkend op zijn werktafel, als een Bouddha in meditatie voor een naakte costuumpop; een op de grond hurkend, nadenkelijk man, die Gauguin in z'n huis van gesneden hout op Tahiti kon zijn. Een man zonder beenen op krukken in een leege stad van rotswoningen; een man die reeds met één been in 't graf staat, slaapt in een leunstoel op een pad tussen de zerken van een kerkhof; een matroos met z'n plunjezak staat ontnuchterd op het dak van een huis aan zee, waarop een beslapen bed en een defecte stoel; een man met uitgestrekte armen in een berglandschap met een trits vazen, omlijst door phallische motieven (een satire op de homo-sexualiteit?).
Een clown verschuilt zich hurkend voor de hooge stoep van een huis in een straat, waarop in het midden een in zijn bloed badend man dood ligt. Een man en een vrouw met een actentasch en een groote pakkist staan, ondanks een dienstman, hulpeloos op een stadsplein met een doode vogel; een stoet kostschoolmeisjes onder leiding van een zuster op de avondwandeling in een stad. Zelfs als er een ongeluk of een misdaad gebeurd is, ademen deze interieurs of landschappen vrede, zooals deze hele kunst eer rust dan actie geeft en 's kunstenaars menschen eer berustend dan opstandig schijnen.
Een der meest indrukwekkende teekeningen van dit kunstboek stelt voor de rugfiguur eener naakte vrouw, heel alleen tegenover een compacte, dreigende menigte naakte aapmenschen in een op een gracht doodloopende straat met een mangat en een visch. Een groote vlam slaat uit een der huizen. Het kinnebakken van een dierenschedel gaapt in de lucht. Andere combinaties van menschen en dieren vindt men in die teekeningen van een man met slechts één been, op krukken, en een miereneter; van een blinde zeeman met een groote visch op de schoot; van een vrouw met een steek op en de armen in de lucht, en een haantje bij een rond perk met een trits gewassen.
Oldeboerrigter is een groot verteller van dierfabels, die aan de verschillende karakters, welke zich in het dierenrijk uitspreken, de den mensch onderscheidende intelligentie verleenen. Hier zijn geen volledige, als dieren gemaskeerde menschen, maar dieren, die als menschen handelen. De 'bemanning' dezer Arke Noachs bestaat voornamelijk uit apen: een groote aap ontwaakt en richt zich op in een bed met rose deken; op een scène, omlijst door coulissen, een gordijn en een bazuinengel, toont een baviaan z'n achterdeel aan het publiek; een aap zit, als schoolmeester vermomd, aan tafel, terwijl een leerling in de hoek staat en een plaat van een terechtstelling aan den wand hangt; een aap staat als een beeld op een zuil in een stadsgezicht met huizen in het water als steenen schepen voor anker en een kunstgebit als meubilair van de straat; een aap met een spiegel zit met een vrouw en een haan in een schelpengrot in een stadsgezicht bij avond, 'verlevendigd' door een doode rat en een zwevende knekel.
Tot deze menagerie behooren verder nog een kat bij een open graf op een vervallen kerkhof, onder een lucht met een saurus; een lubrieke, groene hond op een beslapen bed, waarvan de dekens de vorm van een mensch bewaard hebben, bij een kast met het portret van een bruidspaar, en tenslotte, een lubrieke haan met een aan de oever van het water knielende naakte man en een zeepoliep in de lucht. Aan een gothische gargouille, een spuwer in den vorm van een dier, herinnert de demon met een pauwestaart, die, verscholen achter een huisgevel, naar een meisje achter een open venster loert. Al deze menschelijke dieren releveeren het dierlijke in den mensch met bittere scherts, niet verzacht door een goed humeur of een vroolijke, passieloze ironie.
Een der algemeene en voortreffelijke kenmerken van Oldeboerrigters half-realistische, half-fantastisch-romantische kunst is nog, dat zij gemoedsstemmingen weergeeft in en met daarmee harmonieerende natuurstemmingen: landschappen en stadsgezichten, dikwijls bij avond, onder soms kalme en sereene, maar vaker donkere, bewolkte en dreigende luchten, met 'spiegelingen' van dieren of onderdelen daarvan, dierenschedels of - beenderen, schelpen, bazuinen etc., die men sur-réalistische elementen kan noemen. De planten en stillevenvoorwerpen worden gaarne in tritsen samengesteld. Ook zij zijn meestal werkelijk en symbolisch in eenen. Oldeboerrigter teekent niet naar de natuur om daarna met behulp van deze documenten kunstwerken te maken; hij teekent en schildert, zonder voorstudies naar waarnemingen, geheel uit zijn zeer ontwikkeld pittoresque geheugen, 'uit het hoofd', daartoe in staat gesteld door zijn groot voorstellingsvermogen en mnémotechnie.
Deze tekst is een door mevrouw W. Niehaus-Haavekost getranscribeerde weergave van een deel van Niehaus' manuscript voor het ongepubliceerde vervolg op Levende Nederlandsche Kunst uit 1942.
1 F. Roh, Nach-Expressionismus. Magischer Realismus. Probleme der neuesten Europäischen Malerei, Leipzig 1925. Over de invloed van dit boek in Nederland: C. Blotkamp, Y. Koopmans (red.), Magie en Zakelijkheid. Realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945, tent.cat. Arnhem (Museum voor Moderne Kunst) 1999-2000, passim.