Verdieping
Liefhebbers vertellen over hun favoriete Melle-kunstwerk. Als eerste acteur en kunstschilder Jeroen Krabbé (1944), oud-leerling van Melle.
Jeroen Krabbé: „Melle heeft een enorme rol gespeeld in mijn leven. Ik heb een jaar lang les van hem gehad, op zaterdagochtend, samen met drie anderen. De aanloop naar die lessen was nogal wrang. Marino, het 12-jarig zoontje van actrice Sylvia de Leur en haar man Aart Gisolf [de televisiedokter], verongelukte in 1975 voor de ogen van zijn moeder. Op de fiets werd hij overreden door een cementwagen.
„Een paar maanden later belde Melle bij het echtpaar aan. Hij had hen leren kennen toen hij samen met Sylvia op televisie was geïnterviewd door Berend Boudewijn. Toen Gisolf opendeed vroeg Melle: ‘Jongen, heb je een kopje koffie voor de schilder?’ Een week later kwam Melle weer onaangekondigd langs. Bij die gelegenheid vroeg hij aan Gisolf: ‘Jij tekent toch graag? Weet je wat we gaan doen, we beginnen een tekenclubje. Vraag jij nog maar een paar mensen, gaan we samen modeltekenen.’
„Toen Aart me daarvoor uitnodigde jubelde ik. Ik had in 1972 Melle’s grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Gemeentemuseum in Arnhem gezien. Ik vond hem een held, een tovenaar. Als ik een toneelvoorstelling had gespeeld, reed ik destijds wel eens naar zijn huis aan de Weteringschans. Soms kon je Melle voor het raam zien schilderen. Vanuit mijn auto zat ik dan een uur naar hem te kijken.
„Een jaar lang kwamen we op zaterdagochtend bij Sylvia en Aart thuis samen. Ellen van Hemert [actrice en kunstschilder] was daar ook bij. Met houtskool tekenden we steeds dezelfde vrouw, een door Melle geregeld naaktmodel. Op die ochtenden leerde ik lessen waar ik nog steeds plezier van heb. Melle ging soms achter me staan, legde een hand op mijn schouder en fluisterde dan: ‘Jongen, je moet niet op je faillissement doorgaan.’ Dus niet blijven ploeteren als een tekening mislukt, maar verscheuren en een nieuw blad papier pakken. Zo strooide hij voortdurend met oerwaarheden. ‘Niet over Meppel naar Parijs gaan’, maar het simpel houden. Als tegenprestatie verlangde hij van ons iedere zaterdag tompoezen. Die moesten we kopen bij banketbakkers met blondharige vrouwen achter de toonbank. Dan zag je losse haren niet op het gebak, zei hij.
„Op 27 mei 1976 zou Melle 68 jaar worden. Een paar dagen daarvoor bood het tekenclubje hem een etentje aan in een restaurant in Loosdrecht. Bij een banketbakker hadden we een reuzentompoes laten maken en in een sekswinkel had ik daar een grote dildovormige kaars bij gekocht. Die taart met pik lag achter in mijn auto, dat zou ons toetje in het restaurant worden. „Tijdens het etentje haalde Melle vier enveloppen uit zijn binnenzak. Daar zat een mooie litho van hem in, De kwaadspreker, die hij aan Sylvia, Ellen en mij overhandigde. En voor wie is de vierde envelop, vroeg ik. ‘Die is voor de Messias’, antwoordde Melle. Halverwege het hoofdgerecht ging hij even naar buiten voor wat frisse lucht. Toen hij op de parkeerplaats op een rare manier over een auto hing, schrok Aart, de arts onder ons. Hij is meteen met Melle naar een ziekenhuis gegaan. Een half uur later kwam een ober naar onze tafel, een telefoontje voor Sylvia, van haar man. Huilend kwam ze terug aan tafel. ‘Niet weer, niet weer’, herhaalde ze eerst alleen maar. Daarna vertelde ze dat Melle aan een hartaanval was overleden.
„Op zijn verjaardag lag hij opgebaard in zijn huis, onder een vlag van Amsterdam en omringd door zijn schilderijen. Ik raakte na zijn dood in een crisis. Ik had vlak daarvoor besloten dat ik meer wilde gaan schilderen en minder zou gaan acteren. Melle was in die keuze een leidsman geweest. Hij had tegen mijn vader gezegd: ‘Weet je wat het is met die Jeroen van je? Die jongen heb ’t in zijn poten. Hij heeft alleen te weinig oefening gehad.’ Toen mijn vader me dat vertelde, voelde het alsof ik een gouden prijs kreeg: Melle vond dat ik kon schilderen.
„In diezelfde periode ontmoette ik prinses Beatrix bij de première van Soldaat van Oranje [de oorlogsfilm waarin Krabbé een hoofdrol vertolkte]. Zij hield van beeldhouwen, wist ik. Ik vroeg haar: ‘Hoe vindt u straks als koningin nog de tijd voor uw atelier?’ Haar antwoord – ‘Daar houd ik een dag in de week voor vrij in mijn agenda’ – was zo’n eyeopener voor me. De volgende dag ben ik me gaan aanmelden bij de Rijksakademie van beeldende kunsten, de opleiding waar mijn grootvader en vader ook zijn opgeleid. Ik was toen 32, eigenlijk al te oud, maar ben uiteindelijk toch aangenomen met tekeningen die ik op zaterdagochtenden bij Melle had gemaakt. Omdat ik door het succes van Soldaat van Oranje zo’n bekende acteur was, keken de andere studenten me raar aan. Na twee maanden durfde ik niet meer, ik voelde me zo bekeken. Toen ik een tijdje niet was komen opdagen heeft Friso ten Holt, een van de docenten, me overgehaald om terug te komen. Ik heb daar nog drie jaar gestudeerd.
„Mijn favoriete Melle-kunstwerk is Dood jongetje, zijn allerlaatste, onafgemaakte schilderij. Aan dat schilderij heeft Melle lang zitten prutsen. Tijdens de laatste maand dat hij ons les gaf vertelde hij te werken aan een schilderij met een dood kind. Het leek de hele tijd alsof het kind lag te slapen, mopperde Melle. Maar tijdens de laatste les zei hij opgelucht. ‘Ik heb hem doodgekregen.’ Dat schilderij stond na zijn dood nog op de ezel in zijn atelier. Van Puck, zijn weduwe, heb ik het cadeau gekregen.
„Direct daarna heb ik een In Memoriam-schilderij gemaakt, Melle is dood. Het is een portret van hem samen met de Dood, een vrouw met penselen in haar handen. Op het doek staan ook huizen zoals Melle ze schilderde en de Koepelkerk in Amsterdam. Die heb ik geschilderd omdat Melle eens tegen me zei dat daar een straatje naar me is vernoemd, de Jeroenensteeg. Op de achtergrond staat een bos. Ik liet Melle eens een naakt ziet dat ik had geschilderd. ‘Een woest goed schilderij’, zei hij, ‘maar er moet nog wel een bos achter.’ Toen ik zei dat ik niet wist hoe dat moest, pakte hij kwasten en schilderde in een paar minuten achter het naakt een bos met een meertje ervoor en een bootje.
‘Verdorie, wat mooi Melle’, stamelde ik.
‘Heb je goed gekeken hoe ik dat deed, vroeg hij.
Toen ik knikte, pakte hij een doek en veegde het bos weg. ‘En nou jij”, zei hij.”