Melle: ‘Ik heb landschappen geschilderd waar niemand van weet’ – Bibeb - Verdieping - Melle

Verdieping

Terug naar overzicht
Melle, 1975
1968 Melle: ‘Ik heb landschappen geschilderd waar niemand van weet’ – Bibeb

‘DIE SUFFERD VAN BACH, DIE NOOIT EENS KOMT MET EEN REFREINTJE’

Vrij Nederland, 8 juni 1968, door Bibeb

Een liggend naakt aan de oever van een rivier, in een romantisch landschap (varens, bloemen, zomerse bomen) rijk aan penissen, menselijke gedrochten, vreemde dieren. Melle en ik voor dit schilderij, één van de 32 op zijn tentoonstelling bij Magdalene Sothman.

Melle: ‘Toen ik dit maakte was ik arm. Het geluk komt altijd op het verkeerde ogenblik. Als je jong bent moet je strontnat door de regen. Ben je oud dan zeggen ze opa wil je meerijden.’

Ik: ‘Weet u nog het punt waar u dit schilderij bent begonnen.’

M.: ‘Hier (wijst een aapje aan met bolle, naakte borsten, dat een bloempje steekt tussen de billen van het naakt).’

Ik: ‘Wist u toen wat de rest zou worden?’

M.: ‘Nee. Er was iemand bij me, die heeft me die jongen zien uitschilderen, die zei: waarom heb je hem eerst vier maal uitgeveegd. Ik wist niet, dat ik dat gedaan had. Effe m’n bril pakken, dan zie ik ook wat. ’t Is een scherm, een toneeldecor. Dat zwijn daaronder heeft alle azen.’ Lacht. ‘Een ongelukkige boel. Ik heb er nog één, daar heeft een vrouw alle azen.’

Trekt me mee naar een klein doek verderop: ‘Daar zit een heel treurig element in. Als je niet schrijft, zal ik zeggen wie die vrouw is.’

Ik: ‘De azen vallen uit haar hand.’

M. (mompelend): ‘Een grote rotbende, een grote ruïne.’

Ik: ‘U (zijn zelfportret in een bovenhoek) kijkt naar haar, ze schrikt.’

M.: ‘We waren bevriend. Weet u wat tragisch is dit... Herkent u dat? Nee... Dat is het mandje van Roodkapje.’

Ik: ‘En die penis op de witte kip?’

M.: ‘Een grote rotbende, een grote ruïne.’

Ik: ‘In Propia Cures heeft een tekening gestaan, een man die in z’n broek kijkt. Onderschrift: ‘Even een Melle bestelle.’

M: ‘Dat is de vergissing. Dat ligt op hetzelfde niveau als het denken dat de fallus die ik schilder wat met hun fallus heeft te maken.’

Ik: ‘Volgens Willink bent u bezeten van het geslachtsapparaat.’

M: ‘Dat denkt Willink, ja.’

Ik: ‘Als het zo zou zijn, is er toch niets op tegen.’

M.: ‘Natuurlijk niet. Sex is de ruggegraat van elke kunst. Er zijn wel mensen die zeggen: het zal wel een reuze griezelige vent zijn. Ik vind mezelf niet griezelig.’

Even later. Voor een doek waarop, zoals altijd, in een zomers bloeiend land onder andere een man zonder benen op krukken, bovenop een spuitend geslachtsdeel. Melle: ‘God wat een troep, de rotzooi. Weet u hoe het heet. Veronica.’

Ik: ‘U hebt het tegen Martin Ruyter van de Volkskrant gehad over een woest mooie meid en glazenwassers die er begerig naar keken. U zei: “Als die twee haar pakken en het komt voor het gerecht krijgen die jongens de straf. Maar wie heeft de eigenlijke schuld. Dat is het rare.” Tamar heeft daar in Vrij Nederland op gereageerd. Ze vond het raar dat juist U dat zegt. Want de enige remedie zou zijn zwarte kousen, lange rokken en lelijke meiden. Ervan uitgaande, dat de mooie meid de mannen geprovoceerd heeft, maakte ze deze vergelijking: stel dat een oude kunstenaar met zijden foulard en lang haar door een eenvoudige man in het water wordt gegooid omdat het gezonde instinct van die man in opstand komt tegen excentrieke artiesten, wie heeft dan de eigenlijk schuld? Toch zeker niet het gezonde instinct van de gewone man, mogen we hopen.'

M.: ‘Ze hebben mij altijd in het water gegooid. Zij heeft het ook weer gedaan in die krant. Ik heb gewoon gezegd, wat ik gezien heb. Ik bedoelde, als dat nou zou gebeuren, als die jongens die meid zouden grijpen, dan is het voor  die gewone mannen een excuus. Zoals een slager, die z’n vrouw dood maakt ook minder straf krijgt.’

Ik: ‘Jaap Nanninga riep ook altijd: kijk hoe ze eruitzien, ze willen dat je erop springt. En dat wou hij ook.’

M.: ‘Erop springen... ik niet. Maar ik vind het fijn, dat ik ze zien kan. Ik dank onze lieve heer, dat ik ze zien kan. Ik heb alleen gepleit voor gewone mannen op straat. Daar ben ik altijd een pleiter voor geweest.’

Bedstede

We staan voor een klein schilderij: een bedstede, waarin een erg oude man.

Ik: ‘Dit is zonder fallus.’

M.: ‘Oh nee, kijk maar es goed.’

Ik: ‘Ik zag het aan voor een slaapmuts.’

M.: ‘Dat is de bedstede, waarin ik heb geslapen. Kijk, dat luikje (onderaan) dat gaat voor het laatst open, dat is altijd dicht geweest.’ (Erachter is een zonnig landschap, bergen, water.)

M. (minuscule lichtvlakjes aanwijzend naast de fallus): ‘Dat zijn de laatste belletjes. Dit schilderij is van mijn vriend, een patholoog-anatoom. Hij heeft me er op attent gemaakt, dat de beddeplank hier kaal is van de handgreep. Dat heb ik onbewust zo geschilderd. Ik weet dat het zo was, thuis. Ik zie die bedstee in gedachten. Ik heb een fotografisch geheugen. Wat ik één keer zie, kan ik schilderen. Zullen we nu naar m’n huis gaan.’

In zijn tuin staan tussen hoge breedbladige planten stenen kabouters. Het licht is er groen door de prachtige bomen. ‘Ik heet Puck’, zegt zijn vrolijk lachende vrouw. Melle, doet verlegen, houdt het liever bij u.

Puck gaat uit met de ruwharige tekkel Gijs Jacob waarvan Melle zegt: ‘Die is helemaal zoals een hond hoort te zijn. Er is hem niets geleerd.’

We zitten (bij een kop koffie) in de grote hoge voorkamer, ik vlakbij zijn ezel. Op een plint langs de wand staan kleine doeken, waaraan nog gewerkt moet.

Melle: ‘Die linkse is een snackbar. Er is een plank verzakt, dit stuk (waarop de vagina van een wijdbeens liggend naakt). Oh, dat wordt een tragisch schilderij. En er komen afschuwelijke dingen op de toog. Een snijmachine voor worsten, scherpe messen, kadetjes met beleg, kadetjes die ergens op lijken, worsten die doormidden zijn gesneden. De vreemde dame daarachter, is eraan gewend.’

Ik: ‘Dat is de dood.’

M.: ‘Nee dat is een dame.’

Ik: ‘Ze heeft een doodshoofd.’

M.: ‘Ze zijn vaak zo opgemaakt, dat ze er veel op lijken met die ogen. Zwart gemaakt, zwart gemaakt...’

Ik: ‘Vindt u dat niet mooi?’

M.: ‘Mooi... dat komt niet ter sprake. Ze zijn af, helemaal in vorm.’

Ik: ‘En dat?’ (een klein doek waarop tegen de blauwe achtergrond een naakt, een man met lang haar, in een staart).

M.: ‘Dat is een ouwe mie. Hij staat in de eerste kleur. Dat wordt een heel mooi schilderij.’

Ik: ‘Aan dit te zien gaat u veel eenvoudiger werken.’

M.: ‘Néé, m’n schilderijen worden steeds voller. Maar die man, daar hoeft niets omheen, dat is al zo’n ruïne. Ik heb nóg wat...’

Komt met een schilderij, waarop een man en een vrouw, naakt in een keurige keuken. ‘Kijk, dit is triest, al die ordening. Zo (hand op de oude naakte lijven) zien we ze altijd. En dat (hand weg) kennen we niet.’

Ik: ‘Wat is er met haar been?’

M.: ‘Een elastieke kous. Zo is het, geen woord gelogen. Zie je dat, een uil schijt op de kattebak, in plaats van de poes. Ja, waarom is dat? Een mooi schilderijtje.’

Ik: ‘Hoeveel kost het?’

M.: ’t Ligt eraan wie het hebben wil.’

Ik: ‘Willink krijgt voor een groot doek dertigduizend gulden. Hij zei dat u nu ook veel meer dan vroeger begon te vragen.’

M.: ‘Dertigduizend gulden is een heleboel bromfietsen op een rij. Bij mij is het zo, als ik de school niet had, kwamen we er niet. Ik maak drie schilderijen in een jaar. Ik zit aan elk van die dingen daar vier, vijf maanden te werken. Steeds partij over partij... wegschuren. Er hangen bij Magdalena schilderijen, die heb ik voor driehonderd gulden verkocht om twee maanden huur te betalen. Ik heb lang altijd gevraagd, wat ik dacht dat ik nodig had. Hoe moet ik dat nou doen? Een bepaald soort mensen kan schilderkunst kopen. En mensen van wie ik zou willen dat ze konden kopen, kunnen het zich niet permitteren. Ook niet voor heel weinig geld. Als ik voor drieduizend een ding verkoop waar ik een maand of vijf, zes aan werk... Als je het loon per uur zou rekenen, een loodgieter komt er z’n bed niet voor uit. Waarbij je toch iets meer doet dan alleen arbeid. Ik sprak Co Westerik. Die maakt drie schilderijen in het jaar. Die is dus ook bij het onderwijs om te blijven bestaan. Niet dat we ons verbeelden, dat we wat zijn. Maar ja, je maakt toch dingen die er eerst helemaal niet waren. Je zit toch ingewikkelde mooie dingen te doen en beter kan ik het niet. Als je zoals ik, altijd socialistische dingen hebt zitten beweren en je maakt schilderijen die niemand kan kopen... ’t Is een maatschappelijk lachnummer. Nu is er een wachtlijst van zes mensen, die zoeken bij mij niet uit. Die accepteren wat ze krijgen. Net als een jonge vrouw die een kind krijgt. Dat is niet een machtspositie, daar ben ik ingerold, omdat ik met m’n schouders tegen het plafond zit. Over prijzen heb ik het niet gehad. En ik heb geen idee wat voor soort mensen het zijn.’

Willink

Ik: ‘Houdt u van wat Willink maakt?’

I.: ‘Ik vind hem heel knap maar hij mist humor. Ik zit me vaak rot te lachen

als ik bezig ben. Zo van, kijk nou es effetjes wat het wordt. Het is alleen een

beetje treurige humor. Willink is zo doodrustig. Ik ook, maar ik heb humor, dat is de reddingsboei, waar je op drijft.’

Ik: ‘U hebt voor de TV gezegd, dat pornografie verboden moet blijven.’

M.: ‘Ja, vanwege de spanning.’

Ik: ‘Er is nu een grote erotische tentoonstelling in Zweden.’

M.: ‘Daar zijn drie van mijn dingen naartoe.’

Ik: ‘De sexpsychologen van wie het meeste werk is, willen een museum voor erotische kunst, waar iedereen naar toe kan. Gewoon, zodat alle taboes verdwijnen.’

M. (kwaad lachend): ‘De stumperds. Moet dat verdwijnen! Dan kunnen er

geen romans meer geschreven worden, niks... Dan gaan we erop voetballen. In Playboy staan van die schitterende meiden... Iemand zei, dat doet me niks. Toen zei ik dat vind ik verrekt tragisch dat je dat niks doet.’

Puck vraagt of we komen eten. Het is één uur. ‘We hebben weer niks op het brood’, zegt Melle tevreden grinnikend de tafel bekijkend, die vol staat met lekkere vleessoorten.

We praten onder anderen over Ed Hoornik [schrijver]. ‘We zijn jaren bevriend, hoeven maar een half woord tegen elkaar te zeggen. We hadden voor de oorlog een club met Den Brabander, Van Hattum en Hygentlich. Ik ga weinig met schilders om. Dat is altijd zo geweest, Lex Metz vind ik een heel groot kunstenaar. We begrijpen elkaar.’

Terug in de voorkamer.

Aanklacht

Ik: ‘U was al heel jong bij de Anarchistische Beweging. Hebt u Domela Nieuwenhuis wel es gezien?’

M.: ‘Op z’n zeventigste verjaardag. Toen zat ik in het socialistisch kinderkoor. Hij werd gehuldigd in het Concertgebouw. Een enorme grote huldiging van de toenmalige socialisten. Ik was een kind. We zongen cantates die we niet begrepen. Domela zag eruit als een sinterklaas in burger. In die tijd was het het meest interessante wat er te zien was. Ik was een geluksvogel.’

Ik: ‘Op uw tentoonstelling hangt een aquarel getiteld Het kind.’

M.: ‘Dat is een achterneefje van me. Het kind van Aafke, de dochter van m’n zuster Libertina. Ik was vroeger net als Aafke, heel bewegelijk. Ik ging naar vier vergaderingen tegelijk. Politiek willen zij en Han (van Essen van de Werkschuit), hun oom vertellen hoe het moet. Natuurlijk, ze hebben gelijk. Alleen als je ouder bent, zie je het een beetje anders. Als ik nog was als vroeger zou ik een karikatuur zijn... Ja, naar vier vergaderingen tegelijk... Daar werden resoluties, besluiten aangenomen, maar nooit kwam er wat van terecht. En toch, ik blijf hopen, nog steeds. Er is wel veel ten goede veranderd. Als je de kinderen op straat gekleed ziet gaan en de mooie bankies die ze hebben op school en de speeltuinen, de zwembaden, de rondgangen in het museum. Wij konden alleen op woensdagmiddag en je mocht niet als kind los naar binnen. Jonge mensen hebben groot gelijk, dat ze overal tegenaan schoppen. Maar als je hebt gezien dat er zoveel veranderd is... Natuurlijk, ze hebben gelijk dat ze in Parijs de straat opgaan en met stenen gooien. Ik ben nog revolutionair. Alleen, ik belijd het met andere middelen.’

Ik: ‘Met uw werk?’

M.: ‘Mijn werk zal wel een grote aanklacht zijn, die op verdekt opgestelde

romantische manier wordt voorgedragen. Ja, ik ben romantisch. Als ik dat niet was, zou ik het veel wranger voordragen. Steinlen (tijdgenoot van Lautrec, maakte scherpe aanklagende zedenbeelden) is veel minder romantisch. En Kathe Kollwitz ... een van de weinige vrouwelijke grote beeldende kunstenaars die Europa gehad heeft. Ze is een beetje uit de belangstelling weggevallen. Men vindt haar werk pathetisch. Nee, dat mag het niet zijn, pathetisch. Maar (kwaad) wat de anderen doen is dat dan wel wat? Er is een boek met foto's, daar zie je haar op haar ouwe leeftijd vermoeid in de berm van het gras, een hele oude dame met d’r man.’

Lenin

Ik: ‘Nico Rost vertelde me dat hij samen met Kathe Kollwitz bij de gebalsemde Lenin stond en dat de mensen om hen heen haar niet herkenden.’

M.: ‘Lenin was een grootheid, een heel bewogen mens, die alles deed om z’n ontroering weg te werken. Lenin kon haar niet gebruiken, ze was ontroering en dat werkte-ie weg. Nu kan je het ook niet altijd over die mensen hebben, maar ik vind wel dat er te weinig aandacht is voor die figuren, die verschrikkelijk veel voor een betere wereld gedaan hebben

met hun kunst. Jonge mensen weten zelfs niets van Steinlen, hebben nooit wat gehoord van Félicien Rops (fetischistisch-erotische satirieke kunst) en Willette (erotiek); dat soort grote figuren daar is geen aandacht voor.’

Ik: ‘Vertelt u erover op de Rietveld Academie?’

M.: 'Ja, dat horen ze dan aan en daar blijft het bij, geloof ik. Ze zouden eigenlijk na het zien van Daumier en Goya een paar dagen kapot moeten zijn. Misschien is het mijn sentimentaliteit hoor, dat het bij mij wel zo is ... Maar de jeugd is van een andere wereld. Die hebben niet een heel stadsdeel zien uitroeien. Als zij het over vroeger hebben is dat ’48. Ik vind dit gepraat over vroeger vermoeiend, ik denk er nooit aan.’

Ik: ‘Uw werk is een aanklacht. Waarom schildert u al die geslachtsdelen.’

M.: ‘Misschien wil ik dat niet zeggen, dan is de jeu eraf. Je hebt wel dat je jezelf in de spiegel ziet en denkt: daar heb je hem weer. Wat moet ik met mezelf. Ik wil schilderen.’

Ik: ‘U vindt sex de oorzaak van ellende.’

M.: ‘Omdat we verstand hebben. Misschien kunnen we in de verte met ons verstand de hele sex ongedaan maken, dan is het geen probleem meer.’

Ik: ‘Hebt u altijd die lintjesdas gedragen?’

M.: ‘Ja, nooit een stropdas. Ik ben altijd nageroepen op straat, om alles.’

Ik: ‘Hoe vinden uw leerlingen uw werk?’

M.: ‘Die zeggen er niets over. Dat vind ik sympathiek. Ze zijn allemaal geweest. Ze komen ook aan huis, oud-leerlingen. Ze zeggen er niets over, ’t is misschien een soort beleefdheid. Ik denk dat het een bepaalde vorm van vrijheidsgevoel is.’

Ik: ‘Wat maken ze?’

M.: ‘’t Lijkt helemaal niet op wat ik doe. Ik heb een paar zeer begaafde leerlingen. Wel kinderen van deze tijd hoor, ’t is wel allemaal figuratief wat ze doen. Van de jongelui waar ik mee om ga daarvan kan je zeggen, dat zijn ze. Briljante mensen zijn er onder die jongens en meiden. Zo is het sortiment in de wereld nou eenmaal. Toen ik op de drukkerij werkte waren het ook altijd vier of vijf kerels. De rest wordt opgeduwd. Die vier of vijf moesten het bij elkaar houden, de rest waren gewoon lulhannessen. Zo ziet de wereld er ook uit. Ze hebben me graag op school. Als ik dat niet ontdekt had, zou ik het niet willen. Ik ben blij als ik naar school ga. 't Is inspirerend. Ik zeg wel es wat anders, maar daar zit een soort humor achter, die ze niet vatten.’

Puck

Ik: ‘U werkt op uw atelier en hier. U hoeft niet alleen te zijn?’

M.: ‘Nee, ze mogen zien wat ik doe. Dat heb ik overgehouden uit de tijd, dat ik letterzetter was. Dan wordt er altijd gekeken of je klaar bent, ’t Is wel zo, als iemand onverwacht binnenkomt, dan moet hij me niet betrappen dat ik niks doe... Zo ben ik van jongs af aan gewend: denk eraan, aan je werk blijven. Maar ik heb geen last van m’n jeugd hoor. We waren erg arm, maar het was een ongelofelijk goed ouderlijk huis.’

Ik: ‘Wanneer kunt u niet werken?’

M.: ‘Als ik in een slechte bui ben. Ik ben zachtmoedig, ik heb nooit ruzie. Zolang ik getrouwd ben, 25 Jaar, nooit ruzie.’

Ik: ‘Hoe kan dat nou.’

M.: ‘Dat ligt aan mij. Je tweede leven neemt zo’n grote plaats in. Waarom zou je beginnen met deuren te smijten. En ik heb een jofel wijf, ’t Ergste vind ik kunstenaarsvrouwtjes die meepraten. Puck is zeker twee jaar niet in m’n atelier geweest. Dat is een zeer intelligente manier om zich met die kant van m’n leven niet te bemoeien.’

Ik: ‘Hebt u wel es marihuana gerookt ofhaschisch.’

M.: ‘Nee, ik verkeer al in een toestand waarin zij zijn als ze roken. Als ik m’n ogen dicht doe zie ik het. Ik zie ze lopen op dat roze. Als ik voor dat vlak ga zitten ben ik daarin, begin ik een wereld te maken die ik zie. En het wordt steeds meer, steeds gecompliceerder. Maar later weet ik niet wat er op staat. Ik ben schilderijen tegengekomen op die tentoonstelling waarvan ik niet wist, wat er op stond.’

Ik: ‘U sliep in een bedstee.’

M.: ‘Wij allemaal, in een alkoof, tweemaal twee bedsteden boven mekaar.’

Ik: ‘Die patholoog-anatoom die het schilderij kocht...’

M.: ‘Ik heb van hem anatomie geleerd. In ’47 heb ik een beetje college gelopen. Je moet iemand hebben, die veel weet, Hij bemoeit zich nu met de mummiemens... Die honderdjarige is een afschuwelijk schilderij. De mensen denken dat het dat is.’

Zwijgt.

‘De dood wordt een groot laag nummer. Kijk, als ik blijf leven, werk ik gewoon door. Word ik nog ouder dan ga ik poppetjes schilderen.’

Ik: ‘U bent op dat doek (op de ezel) ook bezig met de dood.’

M.: ‘Die krijgt een kind op schoot. In al m’n schilderijen zie je een voortzetting van de vorige. Ik heb een Lady Dood, die is nu in Israël, ze heeft ook een baby op schoot in een verschrikkelijk mooi landschap. Ze kijkt je aan met heel begrijpende holle ogen. Een hoopgevende figuur, de dood.'

Ik: ‘Wie heeft er in ons land het eerst over u geschreven?’

M.: ‘Theun de Vries in ’39. Toen ik dat lintje kreeg stuurde hij uit Rome een

telegram: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.’

Ik: ‘U bent wel blij met dat lintje.’

M.: ‘Natuurlijk.’

Ik: ‘Waarom?’

M.: ‘Om het respect.’

Stilte.

‘Lex Althof, hoofdredacteur van het Volk (door de Duitsers vermoord), was de eerste bij wie m’n werk opviel. Hij zag m’n tekeningen ...’

Gaat de kamer uit. Komt geruime tijd later terug.

‘Als ik geïnterviewd word, moet ik altijd zo nodig poepen.’

Ik: ‘Lex Althof?’

M.: ‘Was een van mijn beste vrienden, was bij de Wiardi Beckmangroep, is gepakt. Ik kom nog wel op z’n graf in Arnhem, daar ligt ie. Als ik er ben, bezoek ik het kerkhof.’

Arbeiderspers

‘Ik was opmaker bij de Arbeiderspers. Heb er zeventien jaar gewerkt. Na de lagere school leerde ik drie jaar voor letterzetter en op de avondschool lithografie. De crisistijd viel het eerst in het grafisch bedrijf. Ik heb nooit hoogconjunctuur in m’n werk meegemaakt. Voor arbeiders was het altijd labberdepoepie. Nooit een goeie tijd gekend. In m’n eerste huwelijk, nooit, we kwamen niet rond, niks kon, nooit. Nu gaat het een beetje goed, de laatste tien jaar. Ik spreek tijdgenoten die zeggen: in onze goeie jaren was er nooit wat. Ik beklaag me niet. Ik zit me nou rot te lachen, ik steek een sigaar op en als ik hem straks niet wil, gooi ik hem weg. Ik heb een autootje voor de deur. Vroeger, nooit vakantie, niks. Daarnet morste ik koffie op m’n broek, dat was vroeger een ramp... Als we geld hebben, zegt Puck, steek vijfentwintig gulden in je zak, ga in de stad wat kopen. Dan sta ik voor de etalages en wil niet eens wat hebben. Ik weet ’t niet. Ik kom Temmie Koornstra [kunstenaar Metten Koornstra] tegen, dan heb je een gesprek van: daar staan we nou. Temmie heeft nou goed verkocht. Daar schrikt ie van. Hij zegt, toen we jong waren gebeurde dat niet. Dat ging toch vroeger zo, je bracht flessen naar de melkboer, je kon voor die vijftien cent een pakje sigaretten kopen of de volgende dag met de tram. En in die tijd zat ik met goedkope verf schilderijtjes in mekaar te prutsen. Toen ik Puck leerde kennen, die was pedicure ... die heeft erbij gewerkt. Die vrouw heeft woest hard gewerkt en zo konden we bestaan. Godzijdank kreeg ik die aanbieding van de Kunstnijverheidsschool [de huidige Gerrit Rietveld Academie]. Toen heb ik gezegd, nou schei je uit met werken. Nou hebben ze het over dat geëmancipeerde gedoe, die vuiligheid. Ik zeg, nu kan ik het verdienen en die vrouw is blij dat ze thuis kan zitten. We hebben het successievelijk hier uitgebouwd. Laat die vrouw, dit is haar wereld, ze is de baas. Laat ze de baas zijn, dat is jofel. Kijk, als een vrouw buitenshuis leuke dingen kan doen, dan moet die vrouw dat zelf weten. Maar al die vrouwen die je zo hoort kletsen, dat het zo goed is buiten de deur, dat zijn nooit corsettenmakers, mantelmakers. Daarbij de man is nog niet eens geëmancipeerd, die is altijd de lui, lag op alle slagvelden. Daarbij, de jongens die napalm gooien zijn door moeders grootgebracht. Hebben die wel de goede weg gewezen? Dat zijn zo wel es dingen daar denk je wel es over.’

Ik: ‘Op wie lijkt u, op uw vader?’

M.: ‘Op m’n moeder. Dat was een zachtaardige vrouw. Een mooie hele knappe vrouw, later een schoonheid van een ouwe vrouw.’

Pornografie

Gaat de kamer uit. Komt terug met foto’s. ‘Dat ben ik met vader en moeder, 21 jaar geleden. Vlak na de oorlog, vader heeft ’n pijpie in z’n hand. Vader was een zeer wijze man. Ik heb in de oorlog het gekste gedaan om voor die twee oude mensen aan eten te komen.’

Ik: ‘U hebt altijd zo geschilderd, ook toen men het schandelijk vond wat u maakte.’

M.: ‘Je moet van iets bezeten zijn. Heel erg gezonde normale mensen maken geen kunst. Ze hebben dat niet nodig. Mijn werk is uit diverse musea verwijderd, ik ben er allang aan gewend. Ik heb er nooit ruchtbaarheid aan gegeven. In Antwerpen ben ik verwijderd en dat zat er ook in. Ik ben aan een heleboel gewend. De vrienden die hier komen ook. Dat wil niet zeggen, dat de mensen daarbuiten het ook tolereren. Als ze het blijven verbieden, heb je kans dat bepaalde dingen mooier worden. Anders doe je het niet meer. Je krijgt egaliteit, gelijkschakeling. Als ze alles zouden tolereren zou je in chimpanseetoestanden vervallen. Pornografische boekjes zijn noodzakelijk. Ik kijk, ik lees pornografie. Romans, waarin niks gebeurt, vind ik in-vervelende zaken. Dostojewski met die bladzijden lange beschrijvingen ... stomvervelend. En die sufferd van een Bach die nooit es komt met een refreintje. Altijd die geprikkelde rotzooi. Dat stoort me als ik werk, ik heb altijd Veronica aan.’

Kijkt steeds met vernauwde ogen naar z’n werk.

‘Ik zit hier, ik doe alles uit m’n hoofd. Vrouwen ook. Willink schildert zelfs het naakt van Mathilde van foto’s. Met de manier waarop Willink Mathilde schildert houdt hij het publiek op een afstand.’

‘Ik kom wel es aanlopen dan denk ik verrek, ik lijk vader wel. Ik kan ook zulke ongelofelijke lachbuien hebben als vader. Dan valt me iets geks in wat nooit zal gebeuren. In bed moet ik onnoemelijk lachen vaak. Je mag je verbeelden wat je wil, je hebt toch je erfenis, ’t Is een goed ding, dat je dat weet. Ik behandel leerlingen zoals vader en moeder ons behandelden.’

Ik: ‘Hoe vonden die uw schilderijen?’

M.: ‘Hebben ze nooit gezien. Dat hoorde bij mijn privéleven. En die mensen stonden niet te dwingen, daar waren ze te bescheiden, te chic voor.’

Moederkoek

Ik: ‘Hoe vond u de bevalling op de TV?’

M.: ‘De twaalf jarigen lagen in bed en toen lieten ze nog even die ouwe moeders de bevalling zien, hoe het ging... En daar komt de moederkoek aan... Op moeder dag, als een kroon op het werk. Niet origineel hoor. Wat er nu aan de gang is, al dat gepraat over sex. Laat die jongens en meiden het zelf beleven. Waar bemoeien die mensen zich mee. Wat verbeelden ze zich nou eigenlijk. Ik ben zo bang dat je zeventienjarige ouwe mannen en ouwe wijven krijgt. Dat gevaar kan erin zitten.’ (geweldig geërgerd).

Ik: ‘Hoe krijgt u die vliezen op dat schilderij zo doorschijnend?’

M.: ‘Hoe schilder je transparant. Dat schijnt m’n aard te zijn. Kinderen verven maar raak he. Ik zou ’t niet kunnen verdragen als er veel verf op zat. Appel alleen kan met dikke verf schilderen. Hij mag het alleen. Bij hem is het goed.’

Ik: ‘Hoe vindt u wat Roy Lichtenstein en Andy Warhol doen?’

M.: ‘Daar weet ik niks van. Dat is zo ver bij mij vandaan. Dat heb ik allemaal aan mij voorbij laten gaan. Ik heb het wel es met Lex Metz, die een groot kunstenaar is, over dat krankzinnige van een groep vormen. Bacon bemoeit zich alleen met zichzelf. Die moeten ze vermoorden als ze hem weg willen krijgen. Wijnberg en Westerik hoeven ook nooit in een groep. Dat zijn persoonlijkheden.’

Ik: ‘Tegen Martin Ruyter zei u dat u vroeger bang was voor iets, wat u niet kan benoemen en dat die angst over uw schilderijen verspreid is.’

M.: 'Ik heb vreemde dingen bedacht ...ik schilder, ik zie ze. Maar toch, het klopt nooit helemaal... Ik ben nou veertig jaar bezig, veronderstel dat er nog veertig jaar komen, dan zou je in verschillende fases vervallen. Veronderstel dat ik 150 zou worden, wat God niet gaf, dan zou je een hele grote overschakeling krijgen. Rubens met die woeste schilderijen met al die wijven, als die was blijven leven zou hij misschien stillevens maken. Dat is het tragische van een mens. Je hebt meer mogelijkheden als je op toeren blijft, maar dat blijf je niet, dat is de rottigheid. Nu nemen misschien anderen het van mij over. Nee, dat doen ze niet, ik denk het niet.’

Ik: ‘Men vergelijkt uw werk met dat van Jeroen Bosch.’

M.: ‘Dat slaat nergens op. Ik heb niks met die man te maken. Daar vallen ze me altijd mee lastig.’

Ik: ‘Willinks oordeel over u is ook fout.’

M.: ‘Ja, ik heb meer verstand van hem dan hij van mij. Wat ik maak staat zo ver bij die man weg. Dat heb ik nooit iemand verteld. Het is niet op een of andere manier uit te drukken. Ik zou niet weten hoe ik beginnen moest, ’t Zijn flarden in je hoofd, combinaties die je niet kunt vertellen. Je kan een scheepsramp vertellen. Maar het gebeurt wel bij volle verstand hoor. Als ik niet helder ben, gaat het niet. Als ik een borrel op heb kan ik niet schilderen.

De laatste drie jaar drink ik geen alcohol. Ik heb een burgermansinkomen verzopen. Ik ben er mee opgehouden. We kwamen bij vrienden vandaan, toen zei ik tegen Puck: nou doe ik het niet meer. Niet om gezondheidsredenen.’

Ik: ‘Als u zo’n lachbui hebt, huilt u dan ook.’

M.: ‘Nou.’

Ik: ‘Ook als u iets ziet, op de TV bijvoorbeeld.’

M.: ‘Als die nikkelen Nelis met de gitaar zingt, daar kan ik niet tegen hoor. En Zwitserse volksdansen met muziek van bellen, het geluid van vallende dubbeltjes. En laatst was er een film over het maken van een stuwdam in India. Daar zag je die mensen enorm ploeteren op blote voeten...’

Telefoon.

Hij zegt: ‘Het Vrije Volk? Meneer hoe oud bent u. Dertig, goed. Ik heb zeventien jaar bij de Arbeiderspers gewerkt. Zetter en opmaker. Wist u dat niet? Ik bel u wel terug, meneer.’

Tegen mij: ‘We hebben weinig traditie. Vijf jaar geleden kom ik met leerlingen het Rijksmuseum binnen. Zien ze een schilderijtje van Bakker Korff (Biedermeiervrouwtjes) hemelsmooi. Paf waren ze. Dat was hun nooit verteld. Maar ik wist het vroeger wel. Ik heb het wel gevonden. Ach, het zijn ook een ander soort jongens en meiden, deze nieuwe kinderen.’

Ik: ‘Hoe was u als jongen?’

M.: ‘De jeugdbeweging nam zoveel tijd in beslag. Het hele grote ideaal was de natuur ontdekken. Je had je grote socialistische ideeën, congressen op Pinksteren. Ik was vijftien, zestien, dan zat je petitionnementen op te stellen. Ik vind eigenlijk dat het tijd verbeuzelen is geweest. Ja, zegt een ander, die tijd is toch niet weg. Ja, de revenuen worden misschien ergens wel bij elkaar geveegd.’

Stilte.

‘Nu Is er die tentoonstelling. Ik geloof dat je te veel ziet, ik heb het altijd wel geweten. Een geweldig gedrang. Er is zoveel dat niet bij mekaar hoort. Ik heb het gedaan omdat de mensen het willen en nu krijg je dat te zien. Ik heb een boek, zo groot. Dat heb ik laten binden, het zijn echte aquarellen, wat je langs de berm ziet.’

Neemt uit een la een enorme kartonnen hoes en hieruit een in wit met goud gebonden boek. Opent het. Bloeiend gras, bedriegelijk echt. Schattige witte en lila bloempjes aan lange bewegelijke stengels. Klaver, Fluitekruid, Lepeldiefjes... Melle, vermoeid, voorovergebogen tuurt door zijn bril, eindeloos geconcentreerd. Slaat de bladen om. Mompelt namen:

Wildehaver, Wikke... Zegt: ‘De mensen weten niet wat je allemaal gedaan hebt. Ik heb landschappen geschilderd waar niemand van weet. Dit is een mooi boek, ’t Komt nooit tevoorschijn. Van zo’n boek bestaat geen tweede.’

KADER

Melle Oldeboerigter (27 mei werd hij 60) noemt zich sinds zijn vijftiende jaar Melle. Woonde met ouders en zusters in de Derde Wittenburgerdwarsstraat, Amsterdam, een huis dat op veel van zijn schilderijen voorkomt. Zijn politiek geëngageerde vader was machinist op een schip. Melle’s zuster Libertina zegt: ‘We waren thuis allemaal bij de Anarchistische Jeugdbeweging. Moeder deed voor rijke families de was, maar dat zegt niets over haar zelf. Ze was heel bijzonder. Aan het eind van de negentiende eeuw stierven veel mensen uit het volk. Moeder verloor haar eerste man en twee kinderen binnen een paar maanden. Een drama. Maar ze heeft er met ons nooit over gesproken. Geen woord.

(Melle: ‘Moeder zei het me pas in ’42. Ze kon zwijgen, net als ik.’)

Melle was een klein jongetje met zachte handjes. Hield van tekenen. Was altijd bezig met de Beweging. Op z’n achttiende kwam Marthe (Melle’s eerste vrouw). Ze was ook bij de Jeugdbeweging.’

Melle’s werk is van 14 juni tot eind juli te zien op een tentoonstelling in Enschede, ook vier door hem in kruissteek geborduurde wandkleden. Henk de By heeft een kleuren-t.v.-programma aan hem gewijd dat 13 juni wordt uitgezonden. Bij G. van Oorschot kan men een map met 12 erg mooie reprodukties van zijn werk bestellen. Prijs honderdvijftig gulden.

Melle: ‘Niet van echte te onderscheiden.’

Melle, 1975