Archive
André Voskuyl (1944–2022) devoted a significant part of his life to documenting the work of Melle Oldeboerrigter. The database on this website was created on his initiative.
Together with his life partner, Wouter van Oorschot (1952), Voskuyl succeeded in tracing many previously undocumented artworks by Melle. He published the results of his research on tranendal.nl, a website dedicated to Melle.
After Voskuyl's death on March 10, 2022, the new board of the Tranendal Foundation, selected by Voskuyl, contacted the Melle Foundation. Voskuyl and the board of the Melle Foundation shared a great love for the Amsterdam painter, but beyond that, the two boards had little understanding of each other. This attempt to reach out led to a merger. It was decided to continue together, with a new and rejuvenated board, under the name Melle Foundation.
The database established by Voskuyl has been modernized by the merged foundations. The design of the digital oeuvre catalogue has been updated, as has the software for accessing the website. A generous contribution from the Dioraphte Foundation made this innovation possible.
André Voskuyl met Melle Oldeboerrigter at a young age through his regular visits to the couple Clovis Cnoop Koopmans and Marth Bruijn, the painter's ex and muse. Voskuyl's first boyfriend was a nephew of Marth Bruijn, and Melle had a studio in the home of the couple Cnoop Koopmans. The many paintings by Melle at the couple's house intrigued the young Voskuyl immensely.
Voskuyl became close friends with the couple Clovis Cnoop Koopmans and Marth Bruijn. They considered him a son, let him live on a floor of their house, and later he became their executor and heir. Based on the couple's Melle documentation, Voskuyl began mapping the painter's oeuvre in 2002.
In 2018, NRC published an interview with Voskuyl and Van Oorschot about their Melle database. The discovery of several unknown works was the impetus. Below is the transcript of that interview in Dutch.
Fallussen zitten de roem van Melle in de weg
Hun liefde voor de kunst van Melle bracht André Voskuyl en Wouter van Oorschot bij elkaar. Nu speuren ze samen naar de ontbrekende schilderijen uit Melles oeuvre.
Door Arjen Ribbens
André Voskuyl en Wouter van Oorschot glimmen van trots. Met intensief speurwerk hebben ze het universum van de door hen zo bewonderde schilder en tekenaar Melle Oldeboerrigter (1908-1976) laten uitdijen.
Vier onbekende schilderijen hebben de mannen recent ontdekt. Twee landschappen die Melle, zijn artiestennaam, in de oorlog onderop schaakbordjes schilderde, een landschap met een portret van vijftigersdichter en Cobra-lid Jan Elburg, en Poes met tiet, een in de jaren vijftig geschilderd portret van een gedecolleteerde kat tegen een citroengele achtergrond.
Niet minder belangwekkend is dat een drieluik dat zestig jaar spoorloos was, deels terecht is. Het gaat om Nog bij moeder, dat de kunstenaar in 1957 inbracht bij een benefietveiling ten behoeve van Israëlische weeskinderen. De koper schonk het aan een museum dat inmiddels niet meer bestaat. Na jarenlang vergeefs zoeken bij verschillende Israëlische musea zijn de twee buitenste panelen van het drieluik gelokaliseerd. Ze staan in het depot van het Ghetto Fighters’ House, een holocaustmuseum in Noord-Israël.
Melle was bij leven wereldberoemd in Amsterdam en omstreken. Aan loftuitingen heeft het nooit ontbroken. ‘Een visionair schilder.’ ‘De enige grote surrealist die Nederland ooit heeft voortgebracht.’ En: ‘De twintigste-eeuwse Jeroen Bosch.’ Als hij niet zo buitenlanderschuw was geweest – Melle wees de geïnteresseerde Amerikaanse verzamelaar Peggy Guggenheim en het Louvre in de jaren vijftig de deur omdat hij geen woord over de grens sprak –, dan had zijn fijnschilderkunst misschien ook over de grens bekendheid gekregen.
Extra-ordinair
Aan de kwaliteit van zijn tekeningen, aquarellen en schilderijen ligt het niet, zeggen Voskuyl en Van Oorschot. Ze noemen Melle „een extra-ordinair kunstenaar die wereldberoemd zou moeten zijn”.
Maar feit is dat zijn oeuvre aan het wegdeemsteren is. Het Stedelijk Museum Amsterdam bezit alleen al bijna vijftig schilderijen van Melle (bijna een vijfde van zijn oeuvre). Maar de laatste grote tentoonstelling in het Stedelijk dateert van 1988. In 2008 toonde het Museum Arnhem nog een overzicht en tot 4 maart is er nu een kleine expositie in het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum in Heerenveen.
Voskuyl en Van Oorschot proberen te voorkomen dat de kunst van Melle in museumdepots blijft staan en verwordt tot een voetnoot in de kunstgeschiedenis. Sinds Van Oorschot drie jaar geleden de door zijn vader Geert opgerichte uitgeverij Van Oorschot verkocht, besteden hij en Voskuyl een flink deel van hun tijd daarom aan de (internationale) promotie van Melle. Ze lieten hun website melle.tranendal.nl in het Frans, Duits en Engels vertalen. Ze verrichten allerhande onderzoek, organiseerden huiskamertentoonstellingen en ijveren voor een permanente expositieruimte in Amsterdam waar de aan het Stedelijk gelegateerde Melliana onderdak krijgen.
„Er zijn trouwens nog zo’n vijftig schilderijen ‘kwijt’, die we met hulp van anderen hopen terug te vinden”, zegt Voskuyl. „We vermoeden dat de meeste zich in Nederland bevinden.”
Voskuyl en Van Oorschot wonen samen aan de Amsteldijk 62 in Amsterdam, het pand waar Melle van 1938 tot 1945 woonde, en waar hij tot zijn dood een atelier heeft aangehouden waar hij op de donderdagen werkte. Voskuyl kwam begin jaren zestig als scholier voor het eerst over de vloer bij Marth Bruijn, de eerste levenspartner van de schilder, die zich samen met haar echtgenoot Clovis Cnoop Koopmans enorm heeft ingespannen om Melles nalatenschap levend te houden.
Marth en hij waren zielsverwanten, zegt Voskuyl. Zij en Clovis werden een soort pleegouders voor hem, of zoals Voskuyl het formuleert: „Plastic ouders.” De vriendschap groeide en in 1989 betrok hij op hun voorstel het benedenhuis aan de Amsteldijk en werd zo hun onderbuurman. Ten slotte benoemde het paar hem tot hun executeur-testamentair en kreeg hij enkele van hun Melle-schilderijen.
Ook Wouter van Oorschot erfde zijn eerste Melles: de drie schilderijen die zijn ouders in de jaren vijftig kochten. Melle was een huisvriend, zegt hij. Bij zijn regelmatige bezoeken informeerde de schilder altijd bij de jonge Van Oorschot of hij nog iets nieuws in zijn schilderijen had ontdekt.
Fallussen en vulva’s
Op de schilderijen van Melle komen buitensporig veel vulva’s en fallussen voor. Vooral zijn naoorlogse werk wordt bevolkt door vaak monsterlijk grote piemels. Ze zweven door de lucht of ze hebben vreemde gedaanten aangenomen. De fallussen zijn hoofddeksel geworden, neusversiering of neksteun, dan wel een kussentje in de rug, gevelornament, paddenstoel of een wolkenkrabber.
De fallussen, en ook de soms reusachtige vagina’s, zitten de waardering voor Melles werk in de weg, hebben de twee bewonderaars gemerkt. Waarom toch, vragen ze zich af. „Het zijn maar geslachtsdelen”, zegt Voskuyl. En Melles kunst is nooit erotisch, laat staan pornografisch, vult Van Oorschot hem aan. „Melle schilderde de aan seksualiteit onderhorige, naakte mens. Het was zijn overtuiging dat slechts de dieren, de natuur en kinderen onverdacht zijn. Alles wat met volwassenheid te maken heeft, is tuig, en neemt in zijn werk monsterachtige proporties aan.”
Hun grote liefde voor Melles werk heeft Voskuyl en Van Oorschot verder bij elkaar gebracht. In 2005 vroeg Voskuyl aan Van Oorschot om een huiskamertentoonstelling op de Amsteldijk te openen. Die uitnodiging nam Van Oorschot aan en een aantal jaren later gingen de mannen samenwonen en kwamen hun beider Melle-verzamelingen bijeen.
Nog mooier werd het verhaal toen Van Oorschot ontdekte dat zijn ouders ooit aan Marth Bruijn en Clovis Cnoop Koopmans hadden gevraagd om zijn peetouders te worden. Dat was hem nooit verteld, zegt Van Oorschot. „Zonder dat we het wisten waren André en ik dus al plastic broers.”